Een pleidooi voor strategisch catastrofisme

Afgelopen voorjaar, op 21 maart, sprak Chris Doude van Troostwijk op het nationale symposium « Klimaat en Krijgsmacht ». De bijeenkomst was georganiseerd door de Protestantse en Rooms-Katholieke Geestelijke Verzorging binnen het Nederlandse Defensie-corps in samenwerking met PAX. De dag stond het voorzitterschap van Prof. Dr. Fred van Iersel, bijzonder hoogleraar vraagstukken geestelijke verzorging, religie en ethiek in de krijgsmacht. Andere sprekers waren Generaal-majoor Nico van der Zee, directeur veiligheid binnen de Bestuurstaf,  Mgr. Dr., Gerard de Korte, bisschop te Den Bosch,  Ds. Karin van den Broeke, voormalig preses van de Generale Synode van de PKN; Prof. Dr. Mirjam van Reisen, Hoogleraar International Relations, Innovation and Care; Dr. Louise van Schaik, Afdelingshoofd van het Sustainability Centre Clingendael, en Wim Zwijnenburg projectleider Humanitarian Disarmament » bij  de vredesorganisatie PAX.

Tachtig procent van de wetenschappers is er inmiddels van overtuigd dat de opwarming van de aarde van menselijke makelij is. De andere twintig heeft 20 maart 2019 op het Forum voor Democratie gestemd. Die opwarming heeft inderdaad al catastrofale gevolgen: verstoring van het ecologisch evenwicht enerzijds, en daarmee samenhangend globale migratiestromen anderzijds. Alleen, de oplossing bestaat niet uit struisvogelpolitiek. De oplossing bestaat uit wat ik, met Jean-Pierre Dupuy, zal noemen teleologisch catastrofisme.

Nu het eind van de wereld zo nabij is, waarom wordt er dan zo zuinig op deze apocalyptische profetieën van de wetenschap gereageerd? Waarom kruipen we met Jona, collectief onder de vijgenboom op de berg, om toe te zien hoe Nineve, hier de eigen biotoop, definitief te gronde gaat? Waar komt onze lethargie, onze “na-mij-de-zondvloed” houding vandaan? En hoe, oog in oog met het uur U, haar te doorbreken? Dat is mijn vraag. 

Gelukkig dient de krijgsmacht nolens volens ons milieu. Bijvoorbeeld, decennialang was de grensstrook tussen Deutsche Bundesrepublik en de Deutsche Demokratische Republik verboden terrein voor gewone stervelingen. Militairen begroeven er hun landmijnen, groeven er hun schuttersputjes, en dit gegroefde land werd allengs teruggenomen door de natuur. Eekhoorns, wolven, zwartzadelvlinders en orchideeën kruis er elkaars paden zonder enige inmenging van de mens. Dat alles dankzij de krijgsmacht. Gemilitariseerde zones zijn ge-de-humaniseerde zones. Is dat geen goed bericht voor moedertje milieu? 

De anekdote is niet cynisch bedoeld. Ze sluit perfect aan bij het plan Strategie Nationale veiligheid uit 2007, waarin defensie vijf nationale veiligheidsbelangen heeft verwoord. Voor de formulering van het vijfde veiligheidsbelang, het ecologische, vraag ik uw aandacht. 

“Het beschikken over voldoende zelfherstellend vermogen van de leefomgeving bij aantasting van het milieu. De ecologische veiligheid kan in het geding komen door bijv. verstoringen in het beheer van het oppervlaktewater, maar ook door klimaatveranderingen.” 

Beide zinnen bieden een symptomatische  paradox die te denken geeft. 

Paradox 1: nationale eco-actie, internationale eco-dreiging

Beginnen we bij de laatste zin: “De ecologische veiligheid kan in het geding komen door bijv. verstoringen in het beheer van het oppervlaktewater, maar ook door klimaatveranderingen.” Verstoring in het waterbeheer. Dat kennen we uit Neerlands nationale mythe. Beelden van zandzakken sjouwende militairen in het gevecht tegen de zee. Worden de klimaatveranderingen  tot inzet van het ecologische veiligheidsbelang verheven, dan verstomt de nationale heroïek. Zandzakken sjouwen wordt water naar de zee dragen, wanneer buurlanden en uiterste verre buren maar doorgaan met het produceren van hun broeikasgassen! De zee kunnen we met dijken en golfbrekers bedwingen. De roetwolken in de stratosfeer niet.

De eerste paradox is dus dat het ecologisch veiligstellen van de nationale territorium ecologisch afhangt van het wel en wee van de globale leefomgeving. Oog in oog met de milieuproblematiek loopt nationaal veiligheidsbelang geruisloos over in globaal veiligheidsbelang. Coöperatie is mooi, maar dan dient het gevoel van ecologische urgentie wereldwijd wel gedeeld te worden. Daartoe dient de krijgsmacht waarschijnlijk voorlopig toch nog stok achter de deur te blijven. Doen de globale partners niet mee met het terugdringen van de CO2-uitstoot, dan kan het moment komen dat we tanden moeten laten zien. Think global, act local, was lange tijd de slogan. Omwille van het ecologische, nationale veiligheidsbelang kunnen we haast niet anders dan de boel omdraaien. Think local – denk aan het belang van de eigen natie –, en dus: act global – dwing overal ter wereld nationale ecologiemaatregelen af. De ecologische catastrofe plaatst ons voor vele totalitaire en autoritaire verleidingen, die niet bepaald stroken met democratische waarden en met de principes van soeverein, statelijke zelfbeschikking. 

Paradox 2: passief doen door pro-actief te laten

“Het beschikken over voldoende zelfherstellend vermogen van de leefomgeving bij aantasting.” Wat een enormiteit! “Beschikken over” vereist een proactieve instelling: bezitten, meester zijn, besturen. “Zelfherstellend vermogen” wijst daarentegen op het laten gebeuren, op de autarkie van natuur en milieu, op het resiliëntie-vermogen van bijvoorbeeld dat “militärische Sperrgebiet”  van de DDR. Het zelfherstellende vermogen van het milieu dat ons omgeeft kunnen we wellicht constateren, misschien zelfs wat faciliteren, maar we kunnen het niet produceren. Ons doen zal hier een niet-meer-doen moeten worden.

Maar, “iets doen door het te laten”, zijn we daartoe nog in staat? Past dat nog in ons moderne wereldbeeld? Ik vrees van niet. Wij zijn het teleologisch denken à la Aristoteles verleerd. We hebben het cartesiaans vervangen door een bekrompen, technicistisch wensdenken. Voor Aristoteles heeft elke handeling of gebeurtenis een begin en midden en een einde. Het begin vereist een werkoorzaak: de trap tegen de bal. Het “midden” vereist van hij respectievelijk “vorm- en stofoorzaak” noemt: de ronde, rubberen bal moet er zijn, wil er überhaupt iets aan het rollen gebracht worden. Het “einde” vereist een “doeloorzaak”. Als de bal weer stil ligt, is het proces afgelopen. Dan kunnen we terugkijkend vaststellen dat het bereikte punt blijkbaar het voorgegeven “doel” van deze beweging is geweest.  

Dat omkijken vanuit de toekomst, – de futur antérieur – dat zijn we verleerd. We projecteren onze doelen in een per definitie open toekomst. Wij leggen de maat op. De natuur moet zich maar conformeren. We zijn niet meer in staat om op voorhand terug te kijken en het doel van een gebeuren of een handeling organisch te zien oprijzen uit het proces zelf. 

Het perspectief: de urgentieklokken gelijk zetten

Om de urgentieklokken overal ter wereld en ook binnenslands gelijk te zetten, uit de urgentiedifferentie te komen, moeten we weer teleologisch leren denken. Ik bedoel niet apocalyps en eschatologie, niet de openbaringen van Johannes en ook niet profetieën van het Lam. Ik pleit voor een teleologisch catastrofisme. Dat is denken vanuit een onmogelijke toekomst naar het nog mogelijke heden toe. 

Het gaat niet om eschaton, niet om voleinding. Je moet wel heel cynisch zijn om het einde van de mensheid als de voleinding van de mens te waarderen. Transhumanisten zijn met hun technicistisch optimisme zulke cynici. Als de mens in zijn huidige gedaante de ecologische crisis niet zal overleven, dan moet hij dat maar doen als semi-robot, een Übermensch. Het gaat ook niet om “apocalyps. Geen onthulling, revelatie, openbaring van een waarheid. Maar er valt niets te onthullen, als er geen mensen meer zijn om iets aan te onthullen. 

Wat we nodig hebben is een teleologisch catastrofisme. Teleologie zonder transcendentie. Pure immanente teleologie, of zo u wilt, negatieve teleologie of, nog chiquer, een teleologische entropie – de maat van wanorde (en dus de mateloosheid) en de afname van bruikbare energie waarop elk systeem uitloopt. We moeten ons bevrijden uit de technicistische blikvernauwing, maar we moeten tevens theologische – en teleologisch-apocalyptisch-eschatologische – geestverruiming zien te voorkomen. We hebben nodig, wat de filosoof Hans Jonas noemde, een heuristiek van de angst.

Jonas’ vriend, Günther Anders, minder bekend maar minstens even interessant, schreef een midrash om die heuristiek uit te leggen.  “Aartsvader Noach was het beu om elke dag weer onheilsprofeet te spelen, en telkens weer de catastrofe te moeten voorspellen die zich maar niet voordeed en die door niemand echt serieus werd genomen. Op een dag hult hij zich in een oude zak, strooit as op zijn hoofd en gaat de stad in. Snel verzamelt zich een nieuwsgierige schare mensen om hem heen. Is er iemand dood? En wie dan?, wil men weten. Velen zijn dood, legt Noach uit, en hij voegt eraan toe, tot groot vermaak van de omstanders, “jullie zijn die doden”. Hilariteit alom, en dan willen ze weten, wanneer die grote catastrofe dan wel plaats gevonden had. En Noach antwoordde: “Morgen”. “Na morgen, vervolgde hij filosofisch, zal de zondvloed iets zijn dat zal hebben plaatsgevonden. En als die zondvloed zal hebben plaatsgevonden, dan zal niets van wat nu is hebben bestaan, omdat er niemand meer zal zijn om zich dat te herinneren. En als er niemand meer zal zijn, dan zal er ook geen verschil meer zijn tussen de doden en zij die hen betreuren. Daarom ben ik hier voor u verschenen, om de tijd om te draaien. Ik wil vandaag reeds mijn plicht doen en de doden van morgen betreuren, voordat het te laat is.” Noach keerde huiswaarts, en ’s avonds klopte de eerste timmerman op zijn deur. Of hij kon helpen de ark te bouwen. Er volgden er al gauw meer, opdat de voorspelling van Noach zou lijken een valse voorspelling te zijn.” 

Om de catastrofe af te wenden, moeten we nu al over ons eigen lot treuren. Stellig doen alsof ze onafwendbaar is. Want we kunnen ecologische kennis, statistieken, prognoses en extrapolaties verzamelen tot we erbij neervallen. Het zal niet genoeg zijn, om ons van de ultieme urgentie ervan te overtuigen en tot radicale daden aan te zetten. Ons technicistische geloofssysteem maakt ons er ongevoelig voor. Anders zal het Forum voor Democratie het wel weer beter weten.Liever gaan we dweilen met de kraan open, dan de kraan dicht te draaien. Er zullen compromissen komen, amendaties, wetenschappelijke contra-expertises en de diesel zal, in bepaalde gevallen, worden uitgebannen. A l die handelingen verrichten we vanuit ons geloof in de techniek, en we doen ze als rituelen om, omgekeerd, dat technicistische geloof te bevestigen en te schragen. 

Oog in oog met de catastrofe is het “Yes -we can” optimisme dodelijk. Alleen een shock-therapie kan hier ng helpen om, op nationaal en op globaal niveau, de urgentieklokken gelijk te zetten. Alleen als we ervan doordrongen raken dat het waar is dat de wereld aan vlijt ten onder gaat, alleen dan zullen we uitroepen, niet alleen “dat kan niet waar zijn”, maar “dat mag niet waar zijn”. Dan zien we ons als Jona op de berg de ondergang van Nineveh zitten afwachten. Alsof de berg buiten Nineveh ligt! Alsof wij er nog zijn, als de natuur opnieuw over de botten en kadavers van de mensheid voortwoekeren zal. Alsof wij dan, dankzij ons ecologisch veiligheidsbelang zullen “beschikken over voldoende zelfherstellend vermogen van de leefomgeving bij aantasting van het milieu”, waarmee we zelf, solidair, ren onder zullen zijn gegaan. Dat was een futur antérieur.

CDvT; 21/03/2019; Luxembourg-‘t Harde

Symposium ‘De Stad in de Religie, Religies in de Stad’

Progamma vrijdag 24 januari 

10h00 Opening en lezing Chris Doude van Troostwijk, Visiting Professor Vrijzinnige Theologie, Doopsgezind Seminarium (VU) 

10h30 Inleiding in het denken van Jacques Ellul, Frédéric Rognon, Hoogleraar Godsdienstfilosofie, Straatburg – Bijdrage in het Frans, vertaling wordt verstrekt

11h00 Discussie

11h45 Jeruzalem vs Babylon, christelijke beelden van de stad, Stefan Paas, Hoogleraar Missiologie & Interculturele Theologie, VU

12h30 lunch

ENGAGEMENT AND COOPERATION 

Urbanization, individualisation and religious based citizenship

13h30 Joodse bronnen voor stedelijk engagement, Menno ten Brink, Senior Rabbijn Liberaal Joodse Gemeenschap, mede-grondlegger Emoena 

14h00 Hindoeïstische bronnen voor stedelijk engagement, Sharda Nandram, Bijzonder Hoogleraar Hindoe spiritualiteit en samenleving, VU 

14h30 Islamitische bronnen voor stedelijk engagement, Dr. Yaser Ellethy, VU 

15h15 Pauze

IMAGINARIES IN CONFLICT?

 Urban Pluralism and religious identity

15h30 Competing claims of cosmopolitanism; de casus van halal restaurants in Rotterdam, Dr. Margreet van Es, Religie-wetenschappen, UU

16h00 De onzichtbare rol van religie: Religie als geleefde realiteit in politiek Hong Kong, dr. Mariske Westendorp, RUG 

16h30 Tussen erfgoed, kunst en religie: de Oude Kerk in Amsterdam, Elza Kuyk, promovenda Religiewetenschappen UU, coördinator van het Remonstrantse Arminiusinstituut

17h15 Afsluiting – Chris Doude van Troostwijk, Iris Speckmann

17h30 Borrel

 

Aanleiding voor de studiedag is het verschijnen van de Nederlandse vertaling van Jacques Elluls ‘De grote stad’, bij uitgeverij Skandalon.

 

Over het boek De grote stad van Jacques Ellul

De grote stad (Sans Feu, ni lieu) is een internationale theologische klassieker uit 1970, vooral bekend als The Meaning of the City. Nu eindelijk in Nederlandse vertaling. 

Ellul (theoloog en socioloog) ontdekt dat in de Bijbel de stad symbool staat voor rebellie tegen God: de mens kiest er zijn eigen systemen.

Ellul wijst erop dat onze stedelijke samenleving gedomineerd wordt door machten als geld en techniek; die bedreigen de door God bedoelde vrijheid. Ellul is toch hoopvol, want God kiest uiteindelijk een stad om in te wonen:  ‘een nieuw Jeruzalem’.

De stad in de religie, de religies in de stad gesprekmiddag

Progamma donderdag 23 januari

12h15 Inloop en lunch

13h00 Welkom: Bijbelse profetie voor urbane individuen – Chris Doude van Troostwijk

13h20 Wie was Jacques Ellul? – Frédéric Rognon (Franstalig, Nederlandse vertaling wordt verstrekt op papier)

13h45 Interview-ronde I: Religieuze aanwezigheid en religieuze vluchtigheid in de Nederlandse stad – met Rikko Voorberg (PopUpKerk), Derk Stegeman, (Haagse vluchtelingenkerk en diaconale stichting Stek), Henk Leegte (Doopsgezinde gemeente Amsterdam) en Mirjam van Veen (kerkhistoricus, dg seminarium, VU)

14h30 Eerste brainstormronde van de zaal, onder begeleiding van Alex Noord, Chris Doude van Troostwijk en Iris Speckmann

14h40 Vragen vanuit de zaal

15h00 Pauze

15h15 Interview-ronde II: Hoe kun je religieus thuis zijn in een stad waar alles altijd verandert? – met Erica Meijers (exposure traject Nassaukerk Amsterdam, docent diaconaat PThU), Greteke de Vries (predikant Muiderkerk Amsterdam) en Matthias Kaljouw (promovendus iconische stadskerken)

16h00 Tweede brainstormronde 

16h10 Vragen vanuit de zaal

16h30 Boekpresentatie en overhandiging “De Grote stad. Een bijbels perspectief”.

  • 16h30 – 16h45 initiatiefnemer Frank Mulder 
  • 16h45 – 17h00 vertaalster Marianne van Rheenen

17h00 Receptie

Over het boek De grote stad van Jacques Ellul

De grote stad (Sans Feu, ni lieu) is een internationale theologische klassieker uit 1970, vooral bekend als The Meaning of the City. Nu eindelijk in Nederlandse vertaling. 

Ellul (theoloog en socioloog) ontdekt dat in de Bijbel de stad symbool staat voor rebellie tegen God: de mens kiest er zijn eigen systemen.

Ellul wijst erop dat onze stedelijke samenleving gedomineerd wordt door machten als geld en techniek; die bedreigen de door God bedoelde vrijheid. Ellul is toch hoopvol, want God kiest uiteindelijk een stad om in te wonen:  ‘een nieuw Jeruzalem’.

Van buiten geloven

Spiritualiteit verkoopt als warme broodjes bij de HEMA. En tegelijk is onze tijd radicaal ontkerstend. Is dat een paradox? Niet echt, aldus hoogleraar Chris Doude van Troostwijk. 

Of liever, alleen wanneer je het woord secularisatie opvat als ontkerkelijking en religieverlies. Maar secularisatie betekent meer. In de katholieke middeleeuwen stond het woord voor het werelds worden van heilige goederen: het uittreden van monniken uit hun klooster, het verlies van de sacrale bestemming van kerkgebouwen.
Dit artikel verscheen eerder in VrijZinnig, het ledenblad van de VVP.

Die betekenis heeft niets aan actualiteit ingeboet, want de ‘verwereldlijking van het heilige’ is in volle gang. Religie is een marktartikel geworden, een object voor persoonlijke voorkeur of een hebbedingetje. Wat ooit heilig was wordt nu verkocht in de vorm van vensterbankboeddha’s, scheurkalenderwijsheden of confessionele glossy’s.

De uitwissing van het onderscheid tussen sacraal en profaan lokt ook een omgekeerde beweging uit: de heiliging van het alledaagse. Sporten, managen, studeren, het kan allemaal worden overgoten met een aura van sacraliteit. Banale kriebels op de huid worden tekens van hemelse entiteiten. Om onze goddelijke inborst op te delven, moeten we aan onszelf werken. En in onze als hoogst-individueel gekwalificeerde spirituele zoektocht maken we gretig gebruik van de meest uiteenlopende religieuze tradities. Als reliconsumenten grazen we de groene velden van Shinto, Jezus, Freud en de Heilige Theresa van Avila leeg. Dat we met die ‘sacralisatie’ van het eigen leven riskeren de tradities van wijsheid en heiligheid te verarmen, en dat we dikwijls ons diepste, onvervreemdbare ‘ziele-ik’ vormgeven door niet meer dan cliché op cliché te stapelen, dat willen we liever niet horen.

Wel of niet aan religie doen
Vrijzinnigheid bloeide ooit dankzij het principe van het ‘tegenover’. Zo resoneert in ‘vrijzinnig’ het tegenovergestelde begrip ‘rechtzinnig’ mee. Nu secularisatie en sacralisatie hand in hand gaan, heeft het principe van het ‘tegenover’ echter zijn beste tijd gehad. Pogingen om vrijzinnigheid te hertalen als ‘eigenzinnigheid’ – hetgeen de vermeende individueel-spirituele creativiteit uitdrukt -, of als ‘zachtzinnigheid’ – waarin het vredelievend karakter van ‘ons soort vrijzinnigen’ doorklinkt -, of als ‘uitzinnigheid’ – om recht te doen aan het inspiratiemoment van de religieuze roes -, lijken mij vooralsnog doodlopende, zo niet ‘onzinnige’ suggesties. Als het dan toch moet, dan liever zoiets als ‘buitenzinnigheid’. Laat me dat toelichten.

Het gevecht van ‘de’ vrijzinnigheid met ‘de’ rechtzinnigheid is reeds lang een onbeduidende schermutseling na sluitingstijd. Vandaag is de vraag: wel of niet aan religie doen. Daarom pleit ik voor ‘buitenzinnigheid’. ‘Buitenzinnigheid’ betekent ten volle accepteren dat moderne, postmoderne, hyper- of transmoderne mensen het heel best zonder religie kunnen stellen. Niets of niemand verplicht ons om een Bijbel open te slaan of te contempleren op een lotusbloem. Een godloze existentie kan heel best een vervuld leven opleveren. Religies hebben niet langer het monopolie op de zin van het leven. Je kunt eraan doen, of niet.

Alsof we van buiten komen
Dat levert een ‘strategisch dispositief’ voor de nieuwe vrijzinnigheid op: een weloverwogen grondhouding die het doen aan geloven weer relevant maakt. Strategisch is deze nieuw-vrijzinnige grondhouding in zoverre, dat we, ook al menen we – bijvoorbeeld uit opvoeding of gewoonte – al religieus ‘binnen’ te zijn, toch nog moeten doen alsof we van buiten komen. Door de buitenblik, kunnen we religieuze en spirituele tradities recht doen. Zo maken we ruimte, opdat ze ons ondanks en dankzij hun vreemdheid, fris en onverwacht toespreken, aanspreken en tegenspreken.

Geloven, of het nu orthodox is of vrijzinnig, is per definitie niet vanzelfsprekend. Een vreemd en onnodig restverschijnsel uit een ver verleden. Daarom moet, in deze tijd van radicale secularisatie, de vrijzinnigheid ophouden te vechten tegen de windmolens van de orthodoxie. Ze moet ervoor waken om de waan van de ander een constitutieve kracht te laten zijn voor de eigen identiteit. Laat ze echter ook, in deze tijd van reli-marketing, al die vormen van goedkope en vluchtige sacralisatie zien te voorkomen, ongeacht of die nu vrij-, eigen-, uit- of rechtzinnig is. We kunnen ‘aan taoïsme doen’ of niet: nooit mogen we er meer van uitgaan dat we begrijpen en kunnen begrijpen wat tao eigenlijk betekent. Alleen al de vertaling van het begrip vergt een taai oefenen en proberen. En zo kunnen we aan het Evangelie van Johannes doen of niet, maar we mogen er niet zonder meer vanuit gaan dat we welkom zijn en ons gemakkelijk thuis zullen voelen in de sfeer van de Grieks-quasi-filosofische terminologie die afsteekt tegen een Joods-Hellenistische horizon. En moeten we ons afvragen of we kunnen navoelen wat Paulus’ kruisoffer betekent, wanneer geen van ons nog ‘offeren’ als religieuze realiteit heeft ervaren? Wat is de betekeniswaarde van een religieuze metafoor (offeren), wanneer het fenomeen als zodanig niet meer wordt ervaren? Wat betekent ‘verzoening’, zonder dat we ons leven als ‘onverzoend’ ervaren? Of ‘spirituele authenticiteit’, terwijl spirituele in-authenticiteit schering en inslag is?

François Jullien
De nieuwe vrijzinnigheid heeft de taak om ons te leren opnieuw, dat wil zeggen ‘van buiten af’ en ‘buitenzinnig’, aan geloven te doen. Daarbij kan ze het ‘strategisch dispositief’ van de Franse sinoloog-hellenist en filosoof François Jullien ten voorbeeld nemen. In zijn ‘Ressources du christianisme’ (Bronnen van christendom) poogt hij de christelijke traditie opnieuw binnen te gaan, maar dan zonder de ballast van vermeende geloofsvanzelfsprekendheden. Hij leest het Johannes-evangelie met de ogen van een zowel in het denken van Tao en van Stoa geschoold intellectueel. Dat wil zeggen: hij leest ‘van buiten’. Zijn ontdekkingen zijn verrassend. Vragen de omstanders om een ‘wonder’, dan krijgen ze van Jezus een ‘teken’ (Joh. 4: 48). Interessant, merkt Jullien op, want wonderen verwijzen naar de transcendente heiligheid en goddelijkheid, terwijl tekenen knipogen naar onverwachte, menselijke mogelijkheden in deze wereld.

In zijn rustige betoog neemt Jullien bovendien afscheid van drie typisch vrijzinnige benaderingen van religie: religie als vorm om mensen ethischer te maken (Kant), religie als niet-rationele, gevoelsmatige verhouding tot de wereld (Schleiermacher) en religie als projectie van menselijke verlangens op een Opperwezen (Feuerbach). Geen van de drie doet recht aan de schatten die tradities in zich bergen. Die geven zich pas bloot wanneer we er opnieuw binnengaan alsof we volslagen buitenstaanders zijn, als religieus onwetende onbenullen. Bij Jullien kunnen nieuw-vrijzinnigen de kunst leren om als vreemdelingen te grasduinen in het eigen geloofsgoed. ‘Exploreren om te exploiteren’, zegt Jullien: tradities herontdekken om ons leven te verrijken. Om ‘nieuw vrijzinnig’ te geloven, moeten we eerst maar eens oefenen met een grondhouding van ‘buitenzinnigheid’ en ‘buitengelovigheid’. Laten we ervan uitgaan dat we ‘in religiosis’ onwetenden zijn. Misschien valt er dan weer van alles te ontdekken. Misschien wordt het dan weer interessant om aan religie te gaan doen.

Chris Doude van Troostwijk (1962) is sinds 2017 gasthoogleraar Vrijzinnige Theologie aan het Doopsgezind Seminarium.

Knieval voor de Geest der Onmiddellijkheid: het zondige ongeduld van de Nashville-predikanten

Zondig ongeduld

Hoe Nashville-predikanten knielen voor de Geest der Onmiddellijkheid.

De antwoorden op de vraag naar de rol van religie in de samenleving zijn niet te tellen. Niettemin tenderen ze naar één grondovertuiging. Godsdienst dient politieke en sociale bezonnenheid te bevorderen. Godsdienst dient te vertragen, uit te dagen tot reflectie, uit te nodigen tot zelfrelativering. Ze behoort, in en voor de samenleving, slow religionte zijn. En zo slow politics,slow economy, slow thinkingte bevorderen. Kortom: prudentia.

 

Nu weet ik best: er bestaat een type religie dat niet aan deze politiek-sociale roeping voldoet. Het de religie van wat de Verlichting noemde de Schwärmerei. “Geestdrijverij” is een fraaie vertaling voor dit Duitse begrip. Schwärmerbevorderen de slow religionniet. Integendeel. Schwärmerzijn de speculanten van de Geest. Ze gaan voor het snelle resultaat, voor het gemakkelijke incasseren van het eigen gelijk. Schwärmerbedienen hun reli-consumenten met schijnbaar direct verifieerbare innerlijke ervaringen en spirituele efficiëntie. Niks geen bemiddeling:  Schwärmerhebben een onmiddellijk contact met het Absolute. Onmiddellijk, dat wil zeggen: contact zonder bemiddeling, zonder intermediair, zonder afstand. En dus zonder de afstand van de prudentie.

 

Deze Schwärmerei heeft zich, vermomd in niet-religieuze gedaante, meester gemaakt van ons heden. De Geest der Onmiddellijkheid beweegt de gemoederen: bij de Gele Hesjes in Frankrijk, bij de Amazon-clientèle op internet, bij consumptieve-kredieten-genieters en virtual-reality-game-players. Inmiddels staat, door deze Onmiddellijkheidsgeest, de democratie op imploderen. Kieswijzers en koopkrachtbeloftes hebben de voor democratie onontbeerlijke deugden van geduld en uithoudingsvermogen van binnenuit uitgehold. Van een representatieve democratie opererend dankzij op wereldvisies gebaseerde partijen en delegaties zijn we afgegleden naar de consumentendemocratie van verlanglijstjes en ego-retorica. De geest der Onmiddellijkheid is niet anders dan de geest van het populisme. Noch Le Pen, noch Wilders, noch Johnson hebben het populisme uitgevonden. Ze zijn er slechts de symptomen van. Symptomen van de Geest van een dominant geworden populisme dat de politiek, de economie, de cultuur en het persoonlijk leven doortrekt. Themapolitiek vervangt visiepolitiek. Bewegingen vervangen partijen. Onmiddellijkheid vervangt distantie en effectpragmatisme vervangt bezonnenheid en prudentie.

 

Onze door deze Geest bedreigde samenleving heeft tegengas hard nodig. Het tegengas van slow thinkingen slow religion. Ook al is mijn politieke keuze nooit gevallen op degelijke reformatorische partijen als de SGP, en ook al heb ik sowieso slechts weinig religieus talent – laat staan talent voor het zingen van de psalmen op hele tonen -, toch heb ik altijd respect gehad voor de protestantse rechterflank in kerkelijk Nederland. Niet watmen dacht in de kringen van de oer-orthodoxie dwong mijn respect af, maar hoemen het dacht. Men gelooft er immers via een bemiddeling, te weten via de Bijbel. Bij al de verstokte waarheidsnostalgie van de behoudende broeders en zusters, bij al hun quasi-positivisme en neo-scholastische benadering van de Openbaring, heb ik daarom steevast mijn hand voor hen in het vuur gestoken. Juist bij mijn vrijzinnige vrienden. Het orthodox-zware zondebegrip vertaalde ik positief in termen van “zelfrelativering”. De moeizaam dogmatiserende Bijbelhermeneutiek interpreteerde ik behendig als een methode van distantiëring. Het gebed om de Genade des Heeren als een authentieke expressie van het menselijke, tragische tekort. Kortom, zo argumenteerde ik graag: in onze oververhitte onmiddellijkheidscultuur moeten we de orthodoxen koesteren, vanwege hun talent voor slow spirituality. Orthodoxe traagheid biedt op z’n minst weerstand tegen de neoliberale zelfuitputting van de moderniteit. De behoudende gelovigen bewaken op z’n minst de ruimte voor reflexieve prudentie.

 

Na de Nashville-affaire voel ik me genaaid. Mijn optimisme bleek naïef, zoals mijn vrijzinnige vrienden me altijd al hebben gezegd. Immers, met hun handtekeningen hebben de tweehonderdvijftig ondertekenaars, predikanten en behoudende zielsverwanten, hun ziel aan de duivelse Geest van de huidige wereld verkocht. Verraad aan hun eigen goed protestantse sola gratiaprincipe, dat oproept tot terughoudendheid en prudentie. Net zomin als we de Genade kunnen verwerven door verdienste, kunnen we haar behouden door geloofsdoctrines of uitdrukken in Nashwille-verklaringen. Openbaring en Genade vragen de mens te leren leven in en met het uitstel. Oefening in voorlopigheid. Oefening in niet-weten en in geloofsgeduld. En die oefening opent de ruimte van de prudentia, zo hoopte ik, ruimte die broodnodig is voor onze door consumenten-individualisme verpeste democratieën.

 

Maar nee, mijn zware vrienden zijn gezwicht voor de Geest van deze Tijd. Wellicht begerig naar effect, bogen ze, bij de ondertekening van de verklaring, tegelijk hun knieën voor de schwärmerischeverwachtingen. Waar populisten en marketeers hun toekomstvisioenen over aantrekkende koopkracht en linkse elites razendsnel verspreiden via de onmiddellijkheids-media als facebook, twitter, instagram of WhatsApp, daar wilden ook de gedegen Nederlandse Christenen, van wie velen geen televisietoestel of computer in huis hebben, van de partij zijn. Er werd een website ingericht. Er werden predikanten benaderd om te ondertekenen. De volheid van de Woord Gods werd gereduceerd tot een mening over seksualiteit. Mee-surfend op de golven van het cultuurpopulisme, aanbidden voortaan ook de orthodoxen de afgod van Onmiddellijkheid en Effect. En Vrouwe Prudentia bleef achter, met gebogen hals en geknakte lans.

 

Het probleem is niet enkel hermeneutisch. Het betreft niet alleen de al te letterlijke opvatting van de Bijbel. Laten we dichterbij het geloofsbeeld van de orthodoxen zelf blijven: het gaat om zonde. Het probleem is niet alleen de veronachtzaming van de metaforische, ethische en mystieke benaderingen van de tekst, waaraan zowel Augustinus als de Talmoedgeleerden een evenredige plaats gaven. Ergens las ik in een lezersbrief de vraag of de Zeeuwse orthodoxen, nu ze op Bijbelse gronden openlijk homoseksualiteit en transgender-emancipatie afwijzen, ook zijn opgehouden met het eten van mosselen. Immers ook dat wordt door de Heilige Schrift verboden. Prachtig commentaar, maar de problematiek ligt dieper. Hermeneutische naïveteit is nog geen zonde. Niet de interpretatie, maar het opportunistische misbruik van de Bijbel is het probleem. Of is het geen zonde, om de volheid van Gods Woord in termen van een cultuur- en genderpolitiek themapamflet te vertalen? Wat is dit politiek-theologische opportunisme anders dan regelrecht een Zonde tegen de Geest des Heren? Zonde wordt de halsstarrig naïeve hermeneutiek, wanneer ze het opportunistische gebruik van het Woord des Heren legitimeert.

 

De Bijbel als gebruiksaanwijzing voor het dagelijks leven. Ach, hadden mijn toch doorgaans zo fatsoenlijke broeders op z’n minst nog maar de moeite genomen om een eigen, bij onze kleicultuur horende seks- en genderexegese op te stellen! Dan hadden ze voor mij wellicht nog iets van geloofwaardigheid behouden. Maar nee, ze vertaalden een document dat elke oprechte gelovige van de hand zou moeten wijzen, alleen omdat het door perverse populismepolitici is omarmd. Nashville en Trump liggen samen onder de lakens. De waarheid ontwrichtende twitteraar en de Waarheid aanroepende sekspuristen delen hetzelfde bed.

Met de Nashville-verklaring in de hand, brachten ook de onmiddelijkheids-christenen en pentecostal-schwärmerin Brazilië de homohater Bolsonaro aan de macht. Bolsonaro die liever zijn zoon dood zou zien dan als homo. Bolsonaro, aan wie diens “evangelische” (of moet ik zeggen “kakagelische”) vazal zijn ministerpost te danken heeft. Als minister van Vrouwen, Familie en Mensenrechten, probeert “dominee” Damares Alves de emancipatie van vrouwen, de realisatie van mensenrechten en het privé- en familieleven van de LHBT-ers terug te draaien. Zijn “war against gender-ideology” wordt gevoerd in wat geen geloof meer mag heten, maar slecht bible-ideology.

 

Met Nashville, heeft nu ook het van oorsprong zo bezonnen geloofsgetrouwe bolwerk van de Bible-belt de poorten geopend voor geloofsongeduld en Bijbel-idolatrie. Van de besmettingsangst, die in de orthodoxe omgang met homo’s, lesbo’s en transgenders zo vaak aanwezig lijkt, is bij het ontvangst nemen van het Nashville-document geen sprake meer. Genezen van hun hafe- en mysofobieën vergeten de zwaar-gereformeerde ondertekenaars blijkbaar het oer-Hollandse adagium dat je besmet wordt door hetgeen waarmee je omgaat.

Met de handtekeningen onder het Schwärmerei-plakkaat werd het vonnis van ongeloofwaardigheid en onbetrouwbaarheid getekend. In plaats van de Bijbel als opschorting van menselijke betweterij te hanteren, dus inderdaad werkelijk als Woord der Openbaring en als skandalon, hebben Calvijns vrienden zich een onmiddellijke toegang willen verschaffen tot de inhoud ervan. Zo begingen ze de zonde van het eschatologisch ongeduld. Het hun ondraaglijk geworden Openbaringsgeheim, de hunkering naar ontologische duidelijkheid in het aardse tranendal, en hun zucht naar monomorfe seksualiteitsverhoudingen snoerden de mond van de Eeuwige. Zeker, er zijn collaterale positieve effecten. Nashville is het comfortabele sjibbolet van groepserkenning. Wie Nashville ondertekent, hoort erbij! Bij de ware Christenen en de ware slachtoffers van het modernisme! Alleen dat zalige groepsgevoel werd verkregen dankzij de knieval voor de Onmiddellijkheid. En in de Nashville-bunker van het seksueel moralisme zal voor de vreugde van het Woord en de verrassing van de Genade geen ruimte meer zijn.

Niet in de eerste plaats de inhoud, maar de ondertekening van de Nashville-verklaring is een smet op het blazoen van het ware, zware calvinisme. Zelf-uitverkoop van de behoudende broeders. Het orthodoxe Bijbelgeloof bleek niet bestand tegen de marketingverleidingen dezer eeuw. Wie ik, uit naïef respect en zorg om de prudentie, voor behoudende Christenen hield, zijn helemaal niet behoudend. Integendeel, ze restaureren en reconstrueren er voortdurend op los. Maar in hun restauratieve enthousiasme hebben ze de Geest der Genade ongemerkt doen overlopen in Geest der Eeuw. Zo verloor het orthodox-gereformeerde Christendom, met Nashville, voor mij niet alleen zijn waardigheid, maar ook zijn geloofwaardigheid.

Tja, wie roept mij voortaan toe niet te snel te oordelen? Wie motiveert nu, in de samenleving, tot prudentie en reflexieve bezonnenheid? Welk Woord herinnert ons voortaan eraan dat de wereld niet is en niet moet zijn, zoals ze ons het meest behaaglijk lijkt? Wie waarschuwt ons tegen de Onmiddellijkheidsverleidingen van het neoliberale-media-technologisch-populistisch-religieuze complex? Vreest niet, het zijn de stemmen uit de LHBT-community. Stemmen die ons eraan herinneren dat deze wereld één wezenskenmerk deelt met de Eeuwige, namelijk dat ze niet overeenkomt met de simpele voorstelling die wij ons ervan maken. En dat dat goed is.

 

Chris Doude van Troostwijk is visiting professorop de Leerstoel voor Vrijzinnige Theologie aan de Faculteit Religie en Theologie van de VU.