Wat is goed samenleven in tijden van crisis? In een vorig stuk voor Mondig (nr. 3, 2025) vroeg ik het me al eens af met zicht op de dreigende klimaatcrisis. Gek genoeg is het eigenlijk ook de vraag die gesteld wordt in een doperse tekst uit de vroege zestiende eeuw waar ik me in de afgelopen tijd mee bezig heb gehouden: de zogeheten Confessie van Schleitheim.
De bijeenkomst in het Zwitserse plaatsje Schleitheim is voor het Nederlandse doperse verhaal eigenlijk vóórgeschiedenis. Hier in de lage landen barst de doperse beweging pas een stuk later los, en op een heel eigen manier. Vrijzinnig zijn de conclusies van deze Confessie ook niet, tenminste op het eerste gezicht: ze lijken een streng van de wereld afgescheiden en nogal tuchtig geloof te propageren.
Leven in rampzalige tijden
En toch is het een bijzonder document, dat ons ook vandaag veel te zeggen heeft. Want het gaat eigenlijk over de mogelijkheid van een gezamenlijk leven in tijden van crisis en ineenstorting. Dat, immers, is de context waarin deze bijeenkomst in Schleitheim plaatsvindt. Het is 1527 en alles gaat mis voor de doperse beweging. Het continent bevond zich al in een stroomversnelling van verschuivingen, ontdekkingen, en oorlogen. De boerenopstand, voor veel dopers een bron van hoop en politieke ruimte voor hun hervormingen, is catastrofaal neergeslagen. Sinds kort krijgt ook de vervolging van dopers vaart.
Wat nu? Hoe nu verder?
Je zou kunnen denken dat het meest voor de hand liggende antwoord op zo’n situatie in de apocalyptiek ligt: in al die ellende het begin van het grote Einde te ontwaren. Dat is zeker wat sommige dopers, en überhaupt veel gelovigen tijdens de Reformatie, ervan maken. Maar deze groep in Schleitheim niet. Ze zijn (eigenlijk net als onze eigen Menno later) bezig met een andere vraag: hoe geven we vorm aan een goed samenleven te midden van dat alles?
Een Confessie zonder Credo
Het eerste dat aan Schleitheims antwoord op die vraag opvalt, is dat het een confessie zonder credo is. Ze willen vastleggen wat er aan kerk-zijn essentieel is. Maar wát je gelooft, de inhoud van je overtuigingen, lijkt daar niet bij te horen. En ook de ethische regeltjes en normen waar (sommige) dopers juist erg goed in zijn geweest, komen hier niet voor.
Wat dan wel? Bepalend is voor deze groep niet zozeer de inhoud, maar de vorm van de kerk als gemeenschap. Het gaat, modern gezegd, niet om believing, maar om belonging – met het thema van deze Mondig zou je kunnen zeggen: meer dan om het bezinnen gaat het erom samen te beginnen. En dat belonging, dat erbij horen, is geen subjectief gevoel: Het wordt gevormd door concrete praktijken.

De dopers van Schleitheim stellen hun stuk op in zeven ‘Artikelen’. Elke van deze zeven schetst een performatieve praktijk die het collectief vormt, gestalte geeft en reglementeert. Het gaat dus bijvoorbeeld om criteria voor de doop (alleen voor vrij belijdende volwassenen), en om de wederzijdse vermaning (met de ‘ban’ als uiterste consequentie voor bijzonder vervelende broeders en zusters). Er worden ook richtlijnen gegeven voor de samenkomst bij het Avondmaal, de afzondering van alledaagse wereldse dingen, en het verkiezen van predikanten (met transparant omlijnde taken en duidelijke accountability). Tenslotte worden in de laatste twee artikelen de relatie tussen de kerkgemeenschap en de overheid en het weigeren van de eed geregeld.
De vorm van het samenzijn
Zeven dingen dus, die telkens vorm geven aan een samenzijn. Ze doen dat steeds met opvallende formaliteit. De inhoud, lijkt Schleitheim te suggereren, daar kom je met elkaar wel uit. Wat we moeten vastleggen is de vorm van het bij elkaar horen. Zo benadrukt het eerste artikel dat dopelingen ‘geleerd’ moet worden voordat ze gedoopt kunnen worden. Maar wát geleerd moet worden, daarover staat er eigenlijk niets. Een dopeling moet verder bereid zijn te ‘wandelen in de opstanding’ – maar welke verwachtingen dat precies inhoudt wordt niet genoemd. Artikel twee beschrijft het formele proces om zondaars te vermanen. Maar wat voor gedrag precies als zondig geldt? Dat blijft open.
Het waren natuurlijk geen vrijzinnigen in de dop, daar in het vroegmoderne Zwitserland. En toch is het opvallend dit vandaag te lezen: het document lijkt te benadrukken dat voor een goed samenleven in woelige tijden niet de inhoud van het geloven bepalend is (niet het believing, zeg maar), maar de vormen en praktijken die ons bij elkaar houden (die gemeenschap vormen en ons belonging uitmaken). En als je dan eenmaal bij elkaar bent, dán kan je geloofsovertuigingen uitwisselen en beraden over preciezere gedragsregels.
Gemeenschap is handwerk
Geloven alleen maakt nog geen gemeenschap, lijkt Schleitheim te zeggen. Ook omdat samenleven breekbaar is. Het heeft instituties en concrete praktijken nodig om telkens weer bijeengeroepen, gevormd, en gesterkt te worden. Er moet voortdurend voor gezorgd worden, er moet over onderhandeld worden en er moet (in zekere zin) ook voor gevochten worden.
Goede gemeenschap komt niet uit de lucht vallen. Het blijft handwerk.
Van dit besef is het document doordrongen. Misschien wel ondanks de bedoelingen van de historische auteurs, die het allemaal erg zeker te lijken weten. Maar juist doordat ze met zorgvuldige nadruk de praktijken beschrijven die het collectieve leven in de kerk nodig heeft om te kunnen voortbestaan, tonen ze zich ervan bewust dat dit bestaan geen vanzelfsprekendheid is. En juist omdat het geen vanzelfsprekendheid is, zouden we kunnen zeggen, kan samenleven ook vrij zijn. Vrijheid is niet een woord dat Schleitheim gebruikt. Maar toch is het document doordrongen van het waagstuk een gemeenschappelijk leven vorm te geven als ruimte voor tastbare vrijheid in gelijkheid en wederzijdsheid.
Zulke vrijheid kan niet gegarandeerd worden – zeker niet door de macht van het zwaard, zoals Schleitheim benadrukt. In onzekere tijden – en misschien in alle tijden – blijven ruimtes voor vrijheid en solidariteit breekbaar. Ze komen niet zomaar uit de lucht vallen. Ze hebben zorg en geduld en moed nodig – het blijft handwerk.
Op 11 december verschijnt het boek ‘Community and Catastrophe: An Ecclesio-Political Reading of the Schleitheim Confession van Marius van Hoogstraten.
Dit stuk verscheen eerder in Mondig 5 2025.
Tekst: Marius van Hoogstraten
Beeld: Wikicommons